Fragmenten

'Als jullie nog een keer zo'n kunstje flikken als dat van gisteren, maak ik je dood', zei hij tegen de leider van Lavezza. Die schudde zijn hoofd en glimlachte ironisch, alsof hij de zoveelste excentriciteit van Radek wel grappig vond. Daarna draaide hij zich naar de andere kant en zei iets tegen een van zijn ploeggenoten. 'Ik doe het echt, hè?' benadrukte Radek, en hij keek me uitdagend aan, alsof ik hem ook had uitgelachen. Ik stemde zwijgend in, en dacht dat alles wat ik zei hem kwaad kon maken of, erger nog, hem ertoe zou kunnen brengen zijn dreigement uit te voeren.

(Uit: Zwarte trui, vertaling uit het Spaans van Muerte contrarreloj, p. 218)

​Het slot gaat open en het lawaai verdwijnt. Jacob haalt opgelucht adem.

'Gelukkig, ze zijn niet naar binnen geglipt.' Ook de duisternis verdwijnt. In plaats daarvan zie ik het huis van Zwaan halverwege een berghelling. Dat is apart. Het bruin van het hout loopt over in het bruin van de aarde als de zon erop schijnt. Er is een steiger vlakbij. Daar staat Zwaan te wachten. Er zijn talloze weggetjes die alle kanten opgaan, mooie weggetjes, waarover je altijd zou willen blijven lopen. Het ruikt er naar vers gebakken brood. Het ruikt er naar thuis. Ik krijg zin om hier voor altijd te blijven.

(Uit: Escape boek, vertaling uit het Spaans van Escape Book Junior - Las puertas de Lia, p. 23)

Ik zie een meisje op het strand bij de vloedlijn. Ze bouwt een muur van zand en water, die ze tot de voorsteven van een schip boetseert, en gaat erachter zitten, met haar gezicht naar de witte golven en haar voeten recht vooruit. Die voeten zijn gerimpeld, net als haar handen. Het water komt dichterbij en een golf hakt in op de linkerzijde van de boeg, maar het meisje bouwt de muur weer op en gaat op haar knieën zitten, klaar om de volgende aanval af te slaan; het bandje van haar badpak is van haar schouder gegleden. Ze weet dat de zee de strijd uiteindelijk zal winnen en dat de golven haar schip van zand zullen wegvagen [...].

(Uit: Mijn moeders handen, vertaling uit het Spaans van Las manos de mi Madre, in Pluk 2, p. 47)

‘Die vervloekte oorlog heeft zelfs het brood aangetast, vermoord, zou je kunnen zeggen, want dat was geen brood, dat was gesneuveld brood, zonder ziel, zonder deugd. Ik heb het bewaard, ik heb die homp zwart brood bewaard – ik durfde het niet weg te gooien – en heb het aan de voeten van onze madonna op het dressoir gelegd, in de hal, om te zien of ze daarboven een wonder konden verrichten zoals op die trouwerij, toen Jezus water in wijn veranderde omdat zijn moeder het vroeg, omdat hij niet eens gemerkt had dat de wijn op was en de gasten zomaar wat aan het drinken waren. Of dat van de broden en de vissen, wat ook een mooi wonder zou zijn in deze tijd. Maar de hemel luistert niet naar ons; blijkbaar verdienen we geen wonder.’ (Uit: Zwart brood, vertaling uit het Spaans van Pan negro, p. 69)

 

Tel. 0612995150   
 

 

info@carlazijlemaker.com

 

© Carla Zijlemaker met Wix.com